Inhoudsopgave
Voorwoord
Hoofdstuk 1
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6
Hoofdstuk 7
Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 9
Hoofdstuk 10
Hoofdstuk 11
Hoofdstuk 12
Hoofdstuk 13
Hoofdstuk 14
Hoofdstuk 15
Hoofdstuk 16
Hoofdstuk 17
Hoofdstuk 18
Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 20
Hoofdstuk 21
Hoofdstuk 22
 
Hoofdstuk 6

De tirannie van de "Gunst-Meetlat"



“God is goed. Jij bent slecht. Je moet meer je best doen!” Conclusie van een vijftienjarige na een avond van haar jeugdgroep.


Wie zou de jonge moeder de schuld kunnen geven? Ik zeker niet!
Ze was begin dertig en moeder van twee kinderen. Ik weet niet eens meer wat voor aangeboren ziekte haar jongste kind had, maar op zesjarige leeftijd zat hij al in een rolstoel. Zijn ouders moesten vaak met hem naar het ziekenhuis als het weer eens zo slecht met hem ging, dat ze er nooit zeker van waren of ze hem weer mee naar huis konden meenemen.
Elke keer als ik bij hen was werd ik geraakt, niet alleen door de ernst van hun nood, maar ook door de zachtmoedigheid waarmee ze het schenen te verdragen. Ze waren allebei opgegroeid in een christelijk gezin en hadden hun best gedaan om God trouw te volgen toen ze volwassen werden. Ik heb vaak voor hen en hun kind gebeden en hoopte dat hij op een dag genezen zou worden.
Ik had er echter geen idee van dat de stress vanwege zijn ziekte ook hun huwelijk aan het verwoesten was. Totdat ik op een morgen – nadat ik hen al een paar weken niet meer had gezien – hen opbelde en aan de andere kant van de lijn een verbijsterde moeder aan de lijn kreeg. Haar echtgenoot had haar twee weken geleden verlaten en nu stond ze er alleen voor.
Overweldigd door pijn en verdriet vertelde ze me dat ze er niet zo zeker van was of God zelfs maar bestond, en als Hij wel bestond, dan was Hij niet de God die ze dacht dat Hij zou zijn. Niet alleen dat zes jaar bidden voor de genezing van haar zoon tevergeefs was geweest, maar de nood had ook haar huwelijk verwoest. Ze was alleen, gedesillusioneerd en boos.
Ik probeerde haar te vertellen dat God nog steeds van haar hield en zich bekommerde om haar noden, maar ze wees mijn bemoediging bars af. “Heb je er enig idee van hoe het is om je geen moment te kunnen ontspannen en genieten van je eigen kind, omdat je er niet zeker van bent of hij er morgen nog zal zijn?”
Ik vertelde haar eerlijk dat ik dat niet had. Ik had iets dergelijks maar kort meegemaakt. Onze eerste dochter had toen ernstige geelzucht en ik kan me herinneren hoe verontwaardigd ik was geweest toen ik haar iedere dag mee moest nemen voor een bloedtest en moest toezien hoe mijn baby het van pijn uitgilde toen ze haar in haar teen prikten. Dat duurde maar een week en haar leven was niet in gevaar. Hoe vermenigvuldig je dat met zes jaar van levensbedreiging van je kleine jongen?
Ik bood aan haar te helpen, op wat voor manier dan ook om haar in de komende tijd er door heen te helpen, maar ze wees het af.
”Ik houd dit niet vol,” huilde ze. “Wat God ook van me verwacht, ik kan het gewoon niet opbrengen.”
Zelden heb ik me in mijn leven zo onbekwaam gevoeld als op dat ogenblik, toen ik de telefoon neerlegde. Na zo’n vijftien jaar van pastorale bediening, had ik niet het antwoord dat zij nodig had. Pas later snapte ik waarom niet. Op dat moment zat ik in dezelfde val als waar zij in zat. Alleen ik zat aan de andere kant. Zij dacht dat haar overweldigende nood wees op haar gebrek aan geloof en het verliezen van de gunst van God, terwijl ik dacht dat mijn gunstigere omstandigheden het bewijs waren van mijn trouw en dat ik dus Gods gunst verdiende.
Wij leefden allebei onder de tirannie van de ‘gunst-meetlat’.


De ‘gunst-meetlat’

Wat bedoelen we met de ‘gunst-meetlat’? Het is de onzichtbare meetlat die ons vertelt of we aan de verwachtingen van iemand hebben voldaan of niet om diens goedkeuring te verkrijgen. Het is onmogelijk om in deze wereld te leven, zonder in te zien welke impact dit heeft op elk gebied van het leven.
Onze ouders hadden een ‘gunst-meetlat’. Je wist wanneer ze trots op je waren, maar ook waardoor hun ongenoegen werd opgewekt, of zelf boosheid. Als de verwachtingen van je ouders terecht waren kon je de ‘gunst-meetlat’ gebruiken, door bijzonder aardig te zijn als je iets van hen gedaan wilde krijgen, of iets voor hen verborgen houden als je wist dat het straf zou betekenen. Als de verwachtingen van je ouders onredelijk waren, groeide je misschien wel op zonder enige vorm van goedkeuring.
Diezelfde ‘gunst-meetlat’ kwamen we ook tegen op school, hoewel het daar progressief was. Hoe hoger de verwachtingen waaraan we moesten voldoen waren, hoe hoger de score was die we behaalden en hoe groter de goedkeuring van de docenten en de ouders was.
Het duurde niet lang voordat we in de gaten kregen dat onze vrienden ook een ‘gunst-meetlat’ hanteerden die bepaalden of we ons voordeel konden doen met hun vriendschap. Als we ze echter teleurstelden keerden zij zich soms als een blad aan de boom om tegen ons, net zoals wij dit zouden doen ten opzichte van hen. We merkten dat deze maatstaf ook toegepast werd op de werkvloer. Degenen die prestaties leverden of boven verwachting presteerden merkten dat ze in een goed blaadje stonden bij de baas, met alle extra’s vandien.
We hebben geleerd om in deze wereld te overleven door te proberen bij iemand in de gunst te komen wanneer we dat nodig hadden. Het is dus alleen maar natuurlijk dat we aannemen dat God ook een ‘gunst-meetlat’ heeft.
Zo lang als onze omstandigheden plezierig zijn, of zelfs maar draaglijk, denken we niet veel na over Gods gunst. Maar zodra moeiten of teleurstelling in ons rustige bestaan binnendringt, beginnen we ons af te vragen wat Gods gedachten over ons zijn. Houdt Hij van me? Ben ik tegen Hem in gegaan? Doe ik wel genoeg voor Hem, zodat Hij me graag mag? Door met deze vragen te worstelen zijn we weer precies terug bij de ‘gunst-meetlat’ en zoeken we naar een manier om weer aan Gods gunstkant te komen. Koning David heeft treffend uitgebeeld hoe de ‘gunst-maatstaf’ zich aan ons opdringt wanneer we God najagen:

“Wie mag in Uw huis wonen, Here? Wie mag bij U zijn op Uw heilige berg? Die zonder struikelen door het leven gaat, eerlijk is en altijd de waarheid spreekt. Die niet kwaadspreekt, zijn naaste geen kwaad doet en voorkomt dat een ander wordt belasterd...”

Hij gaat verder met een lijst van eigenschappen die mensen kwalificeren om voor de Heilige God te (mogen) verschijnen. Er zijn nog meer lijstjes in de Schrift, die deze verklaring onderschrijven: de Tien Geboden, de Grote Opdracht, de vruchten van de Geest, om er maar een paar te noemen. Het is eenvoudig in te zien waarom mensen die ernst maken met het volgen van God terecht komen bij het leggen van een ‘gunst-meetlat’ langs hun leven en waarom ze denken dat ze elk moment kunnen nagaan hoe God over hen denkt, naar aanleiding van het feit of ze zich wel of niet houden aan die maatstaf.
Door (veel) de bijbel te lezen, (veel) te bidden, een (zeer) actief gemeentelid te zijn en (vele) anderen te helpen, schijnen we te voldoen. Als we zelfzuchtige motieven hebben, daarentegen, of zondige dingen doen, schijnen we er niet aan te voldoen. Dat lijkt makkelijk genoeg, maar we zijn er nooit zeker van of deze zaken er eigenlijk wel toe doen.
Over de hele wereld heb ik mensen voor wie ik sprak, gevraagd: ”Wie van u vindt, dat hij of zij genoeg bidt? Genoeg bijbel leest? Of genoeg getuigt?” Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die na die vragen z’n hand opstak.
Ik weet wat ze denken, omdat ik ook zo heb gedacht. Hoeveel is uiteindelijk genoeg? Als ik een uur per dag bidt, kan ik toch net zo goed twee uur bidden? Als ik elke dag twee hoofdstukken uit de bijbel lees, moet ik dan eigenlijk niet vier hoofdstukken lezen? Moet ik elke maand een keer getuigen, een keer per week, en tegen ieder persoon die ik ontmoet?
Bovendien weten we wanneer we heel eerlijk tegenover onszelf zijn, dat we nooit helemaal vrij van zonden zijn. Misschien kunnen we ze wel goed verbergen, maar gedachten, motieven en verborgen daden brengen onze voortdurende worsteling tegen zonde en twijfel aan het licht. Kunnen we ooit weten hoeveel van ons falen God door de vingers wil zien op onze weg naar volwassenheid?
Daarom noem ik het de tirannie van de ‘gunst-meetlat’. Wanneer we onder de druk van de lijst die David heeft gemaakt leven, of die van iemand anders, zou niemand goed genoeg zijn om in Gods tegenwoordigheid te verschijnen en zijn gunst te ontvangen. Als je het wel eens geprobeerd hebt, weet je hoe moeilijk het is om alles te doen waarvan je denkt dat Hij dat van je vraagt. De enige manier om je goed genoeg te voelen is wanneer je denkt dat je op z’n minst meer doet dan andere gelovigen om je heen. Maar in wezen weet je dat je nooit goed genoeg zult zijn.
Dit probleem wordt gecompliceerder wanneer we in moeilijke of pijnlijke omstandigheden terechtkomen. Wie van ons vraagt zich op zulke momenten niet af of we gestraft worden omdat we niet goed genoeg zijn? We maken er grapjes over op de meest onbenullige momenten. Bijvoorbeeld wanneer je bij ieder stoplicht moet wachten.”Goh, jij leeft zeker niet zo netjes,” zegt iemand dan.
Maar er valt niets te lachen, wanneer we plotseling onze baan kwijtraken of te maken krijgen met een levensbedreigende ziekte. De tirannie van de ‘gunst-meetlat’ is onbarmhartig en zorgt ervoor dat we er nooit zeker van zijn hoe Gods gedachten over ons zijn. Dus kunnen we niets anders doen dan ‘bloemblaadjes plukken’: Hij houdt wel van me! Hij houdt niet van me!


Een veel beter plan

Is het dan zo vreemd, dat mijn jonge vriendin wat er onderwezen werd in haar jeugdgroep samenvatte door te zeggen: ”Hetzelfde oude liedje, pa: ”God is goed. Jij bent slecht. Je moet meer je best doen!”
Zelfs David wist dat in zijn wanhopige momenten. Toen hij zich verborg voor hen die hem probeerden te doden, schreeuwde hij het uit om Gods genade.”Breng uw dienstknecht niet onder het oordeel, want geen levende ziel is rechtvaardig voor U” (Psalm 143:2). Hij was zich bewust van zijn eigen zwakheid en wilde Gods gunst niet laten afhangen van zijn daden.
Later, toen hij zich in het stof wierp vanwege het publiekelijk openbaar maken van zijn overspel en de moord op de bedrogen echtgenoot en hij rouwde om het verlies van de zoon die zijn vreemdgaan had voortgebracht, zocht hij opnieuw een maatstaf. Dit keer een andere. “De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God.” (Psalm 51:17)
De waarheid in dit alles is, dat dezelfde Schriftgedeelten die ons lijstjes geven met eisen waaraan wij moeten voldoen om Gods gunst ‘waardig’ te zijn, ook duidelijk beweren dat er in geen van ons allen genoeg goedheid is om aan deze eisen te voldoen. Alleen Jezus zou daartoe in staat zijn. Hoe we ook onze best doen om Zijn gunst te winnen, we zullen altijd tekort schieten. Hoe meer we ons inspannen, hoe verder weg Hij schijnt te zijn.
Hoe komt dat? Doordat de ‘gunst-meetlat’ ons heen en weer laat slingeren tussen perioden van zelfmedelijden en zelfgerechtigheid. Als we naar onze tekortkomingen kijken, zijn we geneigd om het op te geven. Maar zelfs als we tevreden zijn met onze inspanningen, kunnen we niet begrijpen waarom God Zijn aanwezigheid niet zo duidelijk laat voelen als de Schrift schijnt aan te geven dat Hij wil doen. Zelfgerechtigheid kan een veel grotere rem zijn voor onze relatie met God dan ons falen en onze fouten.
Als we niet beloond worden voor onze meest oprechte inspanningen, kunnen we ontgoocheld raken en (van God) vervreemd raken. Gedurende een lange periode kunnen we ons te verbijsterd voelen om zelfs maar te denken over onze relatie met God en proberen dan onze honger te stillen door druk te zijn met allerlei andere dingen: ons werk, andere mensen, religieuse diensten of zelfs het kopen van nieuwe dingen. Hoewel dit een tijdje mag schijnen te helpen, keert de honger terug op momenten dat we stil worden. Geen van deze dingen kan ooit de honger naar het kennen van de Levende God stillen.
Daarom zal het proberen te leven met “gunst of geen gunst ontvangen’ als maatstaf je op een gegeven moment hulpeloos achterlaten. Of je zult, net als Petrus, nadat hij Jezus had verloochend in de nacht toen hij Hem het meest nodig had, ontgoocheld zijn door je eigen falen om het goede (dat je had moeten doen) te doen, of ,net als Job, zal je je afvragen of God wel of niet van je houdt of dat Hij wel eerlijk is.
God heeft nooit gewild dat we in de ene noch in de andere plaats zouden terechtkomen. In plaats daarvan nodigt Hij ons uit om niet op het slappe koord van de ‘gunst-meetlat’ te balanceren, maar een veel betere weg te gaan ontdekken om Hem te leren kennen.


Een ongelofelijke verrassing

Al op jonge leeftijd was hij zijn leeftijdgenoten ver vooruit. Opgeleid op de beste scholen werd hij erkend als een van de meest invloedrijke religieuze leiders van die tijd, in een van de bekendste steden van de wereld. Zijn morele waarden waren onberispelijk en zijn wijsheid was ongeëvenaard.
Maar aan de binnenkant was het niet zo goed als het aan de buitenkant leek te zijn. Ondanks al zijn ijver en wijsheid was er diep in hem iets dat van binnen aan hem vrat. er zat boosheid diep binnen in hem. Hij liet dat zelden merken, behalve op het ‘juiste’ moment om zijn gerechtvaardige ongenoegen te laten merken. Maar als hij alleen was wist hij dat het er was en dat het zijn ziel verduisterde.
Zijn ijver om de beste dienstknecht van God in zijn generatie te zijn, had hem niet naar de schoot van een liefhebbende Vader geleid, maar naar de wrede tirannie van zijn eigen ego. Hij was begonnen met het verlangen om God te dienen, maar die passie werd al snel verteerd door zijn verlangen naar geestelijke status. Hij hield van de bewonderende blikken en het ontzag die hij zag in de ogen van zijn vrienden en zijn mentoren.
En toen hij een keer op reis was naar een verre stad, kwam hij tegenover de Levende God te staan. Zijn ontmoeting met Hem was veel dramatischer dan de meeste andere mensen hebben gehad. Uit het niets verscheen er een helder licht, dat hem van zijn paard wierp en zijn ogen verblindde. En toen hij daar in het stof op de grond lag, voelde hij een stem over zijn lichaam gaan:”Saul, Saul, waarom vervolg je mij?” De volgende woorden zeggen heel veel. “Wie bent U, Heer?”
Hij wist dat hij tegenover de Levende God stond en nu wist hij niet wie Hij was. Maar wacht eens even! Had de stem niet gezegd dat Saul Hem vervolgde? Saul moet zich in die luttele seconden zeker afgevraagd hebben:”Zou dit Jezus zijn?”
En als dat nu zo was? Saul had zoveel van Zijn volgelingen gedood en was nu op weg om nog meer van hen te doden. Hij beschouwde hen als ketters en probeerde hen te vernietigen, voordat zij het geloof dat hij in zijn jeugd had aangenomen zouden vernietigen.
Tenslotte sprak de stem opnieuw:”Ik ben Jezus, die jij vervolgt.”
Zijn ergste vrees werd bewaarheid. De mensen die hij had gedood in Gods naam, waren in feite Gods volk. Wat moest er nu met hem gebeuren? Wat voor straf stond hem te wachten nu hij blind en hulpbehoevend was geworden? Hij was als iemand die zijn ogen dichtdoet, in afwachting van een pijnlijke klap, die niet komt. Er was geen boosheid, geen wraak.
Saul, die later de Apostel Paulus werd, was tegenover de God gekomen tegen wie hij zich actief had verzet, en op dat moment was liefde het enige wat hij ontmoette. De Jezus die hij had vervolgd, hield van hem. Hij was niet gekomen om hem te straffen, maar om zijn geestelijke ogen te openen om God te zien. Niet zoals hij dacht dat Hij was, maar zoals Hij werkelijk was.
Op dat moment ontdekte Saul Gods ‘gunst’. Toen hij niets had gedaan om het te verdienen. In plaats van gestraft te worden, ontving hij de uitnodiging om deel uit te gaan maken van de familie die hij zo enorm had geprobeerd te vernietigen. In plaats van de dood die hij had gebracht aan anderen, werd hem een leven aangeboden waarvan hij het bestaan niet eens wist.
Onder een ding kon Saul niet uit. Hij had niets gedaan om zichzelf op te werken boven de ‘gunst-maatstaf’, maar daar bevond hij zich niettemin wel. Hij kwam er achter dat Jezus van hem hield, zelfs toen hij er geen idee van had wie Hij was. Want Jezus had de ‘gunst-meetlat’ vernietigd om Saul ervan te bevrijden. Dat had hem meer veranderd dan alles wat hij daarvoor had geleerd over God.
En hier begint de relatie met God. Het mag als onmogelijk klinken, vooral als je in het verleden hierop hebt gehoopt en, net als die jonge moeder in het eerste stuk van dit hoofdstuk, ben je alleen maar teleurgesteld geworden, omdat Hij zo ver weg leek te zijn toen je Hem juist zo nodig had. Het enige wat je wist te doen, was nog harder je best doen om goed genoeg te zijn om zijn genegenheid te winnen.
Maar die manier van denken zal je nooit dichter bij Hem brengen. In plaats van je te leren van Hem te houden, metselde je angst voor Hem de muur alleen maar dikker. Hij wil die cyclus doorbreken op de enige manier waarop Hij dat kan doen: door Zijn gunst tot een gift te maken in plaats van iets dat je zou kunnen verdienen.
Nadien heb ik geen contact meer met die moeder gehad. Als ik haar vandaag zou kunnen spreken, zou ik willen dat ze weet, dat het zoeken van Gods gunst niets te maken heeft met wat wij voor Hem doen, maar wat Hij al voor ons heeft gedaan.


“Geef mij genade, o God, hoewel ik dat niet heb verdiend. Laat toch blijken hoe groot Uw liefde en goedheid is. Wilt U door Uw vergevende mildheid mijn zonden wegdoen.”

- Psalm 51: 1-2



Vragen voor jouw persoonlijke reis:

• Zijn er in jouw verleden dingen gebeurd waardoor je teleurgesteld bent geworden in Gods liefde voor jou of waardoor je bedolven werd onder je eigen falen?
• Als dat zo is, neem dan even de tijd om alleen met God te zijn en met Hem deze momenten door te nemen.
• Vraag hem je te laten zien hoe je gedachten dat je Zijn gunst moest verdienen je blik op wat er werkelijk gebeurde hebben vertroebeld.
• Vraag God – iedere keer wanneer je bidt – je te laten zien op welke momenten je probeert Zijn gunst te verdienen en vraag Hem je te helpen inzien hoeveel behagen Hij in je schept als een liefhebbende Vader.


Voor bespreking in de kleine groep

• Heb jij je ooit zo gevoeld als de vrouw met haar zieke kind? Wat heb je toen gedaan om ‘eruit’ te komen?
• Waar en hoe dans jij op het slappe koord van de ‘gunst-meetlat’ in je relatie met God? Wanneer voel jij je schuldig, omdat je niet genoeg hebt gedaan?
• Lees nog eens over de bekering van Saulus in Hand. 9:1-9. Waarom heeft Jezus dit voor hem gedaan? Wat heeft Saulus gedaan om dit waardig te zijn?
• Vraag samen aan God om je te leren hoe je Hem kan leren kennen zoals Hij werkelijk is.


Ga naar hoofdstuk 7
 
 

Lifestream
Homesite van de schrijver
Wayne Jacobson (Engels)


Contact
Contact mogelijk met de vertaler Coen Groos of met de webmaster Mirjam Slootweg alias Cybermier


 
  De schrijver, Wayne Jacobson, heeft vaak gezegd dat ‘HE LOVES ME’ het belangrijkste boek is dat hij ooit heeft geschreven. Het is zijn verlangen dat dit boek voor iedereen beschikbaar is. Leren leven vanuit de dagelijkse ervaring van Vaders liefde en niet vanuit een prestatie-gerichtheid die voortkomt uit een religieus plichtsbesef. Dit zal je leiden naar een intiemere vriendschapsrelatie met Hem. Het zal je diepste innerlijk raken en je volkomen veranderen. Het zal je vrijzetten om Hem in de wereld bekend te maken door met anderen deze reis te delen en je zult ervaren hoe fantastisch het leven van een christen kan zijn.

Deze vertaling van ‘HE LOVES ME’ (van Wayne Jacobson) wordt je gratis aangeboden. Hoewel er copyright op rust, mag je het via de elektronische weg of in geprinte vorm doorgeven aan anderen, als je er maar geen geld voor vraagt en niets aan de inhoud verandert.